PROJECT PAPATYA

Moeilijke doop en toch geen identiteitscrisis

 

PAPATYA bestaat sinds 1986, dus al meer dan vijftien jaar. In deze tijd hebben wij de ondertitel van onze naam meer dan eens veranderd, en even zo vaak weerspiegeld deze naamsverandering  inhoudelijke discussies en een verandering in hoe we ons zelf zien.

Papatya werd opgericht als een crisisopvang  voor Turkse meisjes. Omdat de term "Turkse meisjes" de Koerdische meisjes  onzichtbaar laat, hebben wij onze ondertitel eerst veranderd in crisisopvang voor meisjes uit Turkije. Maar dat klopte ook niet,  want inmiddels kennen veel meisjes Turkije alleen nog van vakantie, beter passend leek "meisjes van Turkse komaf"

Ook deze omschrijving past niet meer helemaal in hoe we onszelf zien.. Eenderde van de meisjes die de laatste jaren naar ons toe zijn toe zijn gekomen, zijn van andere dan Turkse herkomst. We zien  hierbij de  in Libanon en de in ex-Joegoslavië geboren meisjes als grootste groepen,  Verder komen er meisjes uit overwegend Islamitische landen: uit de Mahreb, uit Jordanië,  Pakistan, Iran, Azerbeidzjan, en Albanië.   Verder zien we   ook meisjes uit huwelijken tussen twee verschillende nationaliteiten  en dochters van Duitse Moslims. Ook hebben we nog meisjes uit Roma-families, uit Israël, China, Vietnam of Ghana opgenomen, toen zij bescherming nodig hadden.

We hebben nog geen ondertitel gevonden, die aan deze veelvoud recht zou kunnen doen. Maar ons naamsprobleem is net al bij onze cliëntèle niet met een identiteitsprobleem te verwarren: wij weten eigenlijk heel goed wie we zijn en wat we doen.

Voor ik begin met  de presentatie van onze manier werken en de situatie van de meisjes, die de laatste 15 jaar naar ons toe kwamen, een paar opmerkingen over de representativiteit van onze waarnemingen.

 

De toestand van de meisjes die naar ons toe komen is niet representatief  voor de situatie van meisjes uit migrantenfamilies. Als crisisinstelling met een geheim adres, wiens opgave het in de allereerste plaats is bescherming te bieden, zien wij vooral meisjes, die heel erge problemen met hun families hebben, families die zelf weer heel weinig hulpmiddelen ter beschikking staan om deze problemen op te lossen. We doen dus verslag over een "negatieve keuze". Tegelijkertijd zijn er waarschijnlijk ook meisjes, die in een  onverdragelijke situatie leven, maar nooit  de weg naar PAPATYA vinden – ofwel omdat ze geen Duits kennen, niet naar school gaan, illegaal in Duitsland zijn of omdat ze hun huis niet mogen verlaten.

Wij beschrijven dat deel dat weglopen kan en dat weglopen moet. En ook hier weer een deel van een deel, omdat veel meisjes die weglopen, niet van een geheim adres afhankelijk zijn.

 

 

PAPATYA kan maximaal 8 meisjes tussen 13 en 20 jaar voor een overgangstijd  van 2 a 3 maanden opnemen. Per  jaar komen 60 tot 80 meisjes naar ons toe, die een verschillende tijd blijven: van een paar uur tot meerdere maanden. 7 Medewerksters (Turkse, Koerdische en Duitse) delen 6 hele aanstellingen. Door co-financiering van het arbeidsbureau hebben we  sinds enige tijd een lerares en een werkster voor halve tijd  kunnen aanstellen. Wij zorgen klokje rond voor de meisjes op sociaal en psychologisch gebied, verder bestaat ons werk uit de organisatie van een grote huishouding,   beheer en administratie net zo goed als perswerk en de samenwerking met de talrijke andere instellingen. Meisjes kunnen snel en zonder bureaucratie worden opgenomen.

 

Omdat ook het telefoonnummer van PAPATYA geheim is, is de Berlijnse “Jugendnotdienst” het contactadres. Als instelling die onder de Senaat van Berlijn valt, kan de Jugendnotdienst

minderjarige meisjes volgens paragraaf 42 onder toezicht laten stellen, als er 's nachts of in het weekend geen  “Jugendamt”  bereikbaar is. De meisjes komen naar de “Jugendnotdienst” door zichzelf te melden, verder melden zich hier leraressen,  sociaalwerksters van de school en adviesbureaus , die ons vragen terug te bellen.

Dikwijls komt het aan de telefoon al tot een voor-intake. Als het mogelijk is praten we in deze fase al direct met het betrokken meisje, om samen duidelijkheid te krijgen, of ons aanbod voor haar het juiste is. Aan de veiligheid die PAPATYA biedt, zijn bijvoorbeeld beperkte uitgaanstijden verbonden, die het meisje moet accepteren.

Ondanks alle verschillen tussen de meisjes dringen zich vergelijkbare conflictzones op de voorgrond, wanneer de meisjes beslissen hun familie te verlaten. Bij de interpretatie van deze conflictzones heeft het zwaartepunt van onze waarneming zich door de jaren heen verschoven.

Allereerst hebben  we  de in het oog springende, opvallende verschillen met Duitse families waargenomen, en probleemsituaties  vooral als door cultuur en migratie bepaald geïnterpreteerd.

Ondertussen  hebben wij veel meer aandacht voor familie- en relatieconflicten. Een voorbeeld om dit te concretiseren:

Als een meisje geen vriendje mag hebben, dan kan men dat tegen een   achtergrond van traditionele begrippen over familie en eer interpreteren. Dit is zeker vaak het geval, des te meer daar vele ouders in Berlijn sterker aan traditionele normen vasthouden als dan zij dat misschien in hun vaderland zouden doen. Berlijn schijnt hun een gevaarlijke plek toe, en ze zijn bang dat hun dochter aan de drugs raakt of in de macht van een pooier. Zo proberen ze hun dochter goed te bewaken en zo te beschermen. Maar de conflicten die hieruit resulteren kan men bijvoorbeeld ook interpreteren tegen de achtergrond van afgunst en concurrentiegevoelens van de moeder of  jaloezie van kant van de vader. In de regel vermengen beide aspecten zich in het reële conflict  tot een onontwarbare knoop – hierdoor verandert wellicht de probleemsituatie ook weinig in de loop van de jaren.

Vanaf het begin van ons bestaan hebben we zorgvuldig de statistiek bij gehouden.  Bij uitwerking van de gegevens  over nu vijftien jaar, hebben we tegen onze eigen verwachtingen in vastgesteld, dat de jongere zusters van de meisjes, die jaren geleden bij ons waren, uit vergelijkbare redenen naar ons toe komen als hun oudere zussen  eerder deden.

 

Redenen tot vluchten: Waarom komen de meisjes naar PAPATYA?

 

De meisjes lopen niet om een kleinigheid weg. Velen hebben al jaren onder een belastende situatie in het gezin geleden, tot ze, als ze tussen de 14 en 20 jaar zijn, door weg te lopen zich eraan onttrekken.

Zware en zwaarste mishandelingen, seksueel geweld, verwaarlozing, het verhinderen van schoolbezoek  of van het volgen van een opleiding, evenals de verplichting door de ouders uitgezochte mannen te trouwen, gaan gepaard met een strenge controle op de meisjes, ze worden opgeëist voor  de huishouding en als oppas voor hun kleine broertjes en zusjes en verboden vriendschappen met leeftijdsgenoten (vaak ook meisjes) te onderhouden.

Dikwijls hebben de problemen zich met het begin van de puberteit aanzienlijk verergerd, terwijl de speelruimte , die de ouders aan de meisjes toestaan, steeds kleiner wordt.

 

Individuele pogingen om het op te lossen

Eenderde van de meisjes bericht al een keer weggelopen te zijn, meestal voor een paar uur naar vriendinnen of familie, maar soms ook naar de “Kindernotdienst” of andere hulpverleningsinstellingen.

Schrikbarend is ook, dat bijna 20 procent over suïcidepogingen van verschillende omvang vertellen. De meeste hebben medicijnen geslikt. Een dergelijke roep om hulp is meestal op de hulpeloosheid van de ouders gestuit, die ze negeert, verloochent of als onschuldig voorstelt.

Als de meisjes besluiten buiten de   familie hulp te zoeken, gaan ze in veel gevallen eerst naar leraressen of een sociaal werkster op school. Vaak is de school de enige plek buiten de familie waar de meisjes naar toe mogen, bepaald belangrijk is haar functie als aanloopplek ook bij problemen.

Mishandeling

Het deel van de meisjes dat mishandeld wordt, ligt over het algemeen rond de 80 %. De meeste worden door de vader of door beide ouders , velen ook door hun broers geslagen. Niet zelden worden de broers hiertoe door hun ouders aangespoord.

Als de meisjes over mishandeling berichten, dan gaat het meestal over echt massief aftuigen met voorwerpen. Nu en dan een oorvijg is voor hen min of meer normaal. Velen hebben het gevoel dat er geen samenhang bestaat tussen fout gedrag en straf, dat de ouders hen veel meer willekeurig slaan.

Subjectief veel kwetsender  dan slaag vinden de meisjes als ze uitgescholden worden door de ouders. Dit schelden gaat vaak over de seksualiteit van de meisjes –hoer is een van de onschuldigste termen –het is voor de meisje erg moeilijk ons  hierover te vertellen..

Ongeveer een kwart van de meisjes maakt mee dat  haar moeder geslagen wordt. Vaak is er een samenhang met alcoholmisbruik of zelfs alcoholisme van de vader. Hierin tekent zich in de loop der jaren een lichte toename af. Bij 20 procent van de meisjes wordt de familiesituatie door drugsproblemen bij ouders of broers en zussen belast.

Seksueel geweld

Toen wij 15 jaar geleden met dit werk begonnen, werden we – voor ons onverwacht – met het bestaan van seksueel geweld, ook in Turkse families, geconfronteerd. In 1986 kwamen 21 meisjes die met seksueel geweld te maken hadden gehad,  seksueel geweld van verschillende omvang,  tot en met een meisje die door misbruik door haar zwager zwanger was.

Het deel van de meisjes, dat seksueel geweld ervaren heeft, ligt gemiddeld rond de 30 %,  in engere familiekring rond de 20%.

Seksueel geweld in de familie komt in eenderde van de gevallen van de kant van de vader, bij ongeveer een kwart van de gevallen van de broer. Maar ook oom, grootvader, neven en zwager schrikken voor een inbreuk op de seksualiteit van de meisjes niet terug.

 

Ondertussen is ook buiten de vakwereld bekend, dat een strenge seksuele moraal zoals de Turks traditionele moraal, meisjes en vrouwen geenszins bescherming biedt, maar integendeel, vanwege de hiermee verbondene hiërarchie tussen de geslachten, het voor de meisjes erg moeilijk maakt, zich aan misbruik te onttrekken en hulp te halen. De hoge waarde die aan maagdelijkheid wordt gehecht , voert ertoe dat anale en orale methodes de voorkeur krijgen, om in de huwelijksnacht geen afgang te riskeren.

Het kan echter ook tot gevolg hebben , dat het betreffende meisje er ten onrechte van verdacht wordt, dat ze een voorhuwelijks seksueel contact met een vriend wil verbergen, als ze een familielid van seksueel misbruik beschuldigt. Meisjes die hun misbruik in de openbaarheid brengen, lopen in hoge mate gevaar en hebben absoluut een veilige plek nodig, zodat haar familie haar niets kan aandoen. Alleen dan, als ze hopen hun jongere zusjes ermee te beschermen, beslissen de meisjes  tot aangifte bij de politie, dus uiterst zelden.

 

Gedwongen huwelijk

 

Een snel huwelijk wordt door de ouders vaak als oplossing gekozen, als ze denken , dat ze hun dochter en haar drang naar vrijheid niet meer voldoende kunnen controleren . Een gearrangeerd huwelijk kan ook met een groot economisch gewin voor de ouders verbonden zijn. Dit des te meer, wanneer de meisjes die in Duitsland zijn opgegroeid, en weliswaar vanwege hun morele standaard worden gewantrouwd, voor hun familielid in het moederland  het begeerde verblijf  in Duitsland kan opleveren.

Net 30% van de meisjes is hierbij betrokken. Herhaaldelijk is een  concreet gepland huwelijk de laatste aanleiding voor meisjes, om weg te lopen..

Nauw verbonden met een gedwongen huwelijk is vaak de ….

 

Gedwongen terugkeer 

die vaak al sowieso vanuit het moederland dreigt.  Circa een kwart van de meisjes heeft hiermee te maken. Deze gedwongen terugkeer heeft weinig met het eigen perspectief op terugkeer van de ouders van doen, die voor het grootste deel zich op een leven in Berlijn, of ten hoogste  op het heen en weer reizen na het pensioen hebben ingesteld.

De ouders hopen vooral, door de dochters te dreigen, ze naar het land van herkomst terug te sturen, ze te disciplineren. Een niet gering deel van de meisjes, die bang waren terug gestuurd te worden, zijn al een keer door de ouders na hun vakantie in het moederland achtergelaten, en hebben hun terugkeer naar Berlijn alleen met veel beloftes zich in de toekomst netjes te gedragen, of met hongerstaking en dergelijke, bereikt.

Minder vaak, maar het komt ook voor, dat meisjes door een vlucht de terugkeer naar het land van herkomst willen afdwingen – dit zijn meestal diegenen die ongevraagd en tegen hun zin naar Berlijn gehaald zijn.

 

Scheidingen en Breuken

Op de achtergrond bij al deze problemen staat een, in tegenstelling tot onze verwachtingen, een door de jaren heen gelijk gebleven aandeel van scheidingen in families en stief-families evenals alleen opvoedende ouders.Voor de bewerking van onze data hadden we de indruk, dat het aandeel met de jaren was gestegen.

Ongeveer een kwart van de ouders is gescheiden. Nu hoeft een scheiding niet perse een catastrofe  te zijn, maar na het scheiden of het uit elkaar gaan, gaan de meeste ouders zeer snel weer nieuwe verbintenissen aan. Een relatief groot deel van de meisjes woont dus met stiefouders. Het contact met een van de ouders, diegene bij wie ze niet meer wonen, breekt meestal af, of wordt soms ook met nadruk verboden. Vaak keert deze ouder ook weer naar het land van herkomst terug. Ongeveer 8% van de meisjes zijn wezen of halfwezen.

Alles bij elkaar woont 60% bij beide ouders, de andere 40% leeft van een of beide ouders gescheiden.

En daar bij komt nog, dat veel meisjes van Turkse herkomst weliswaar in Berlijn of West-Duitsland  geboren zijn, maar als baby’s naar de grootouders of andere familie in Turkije zijn gebracht.

In 1986 werd een aanzienlijk deel (60%) nog in Turkije geboren, tegenover 35% die in Berlijn of  West-Duitsland geboren werden. Deze verhouding heeft zich 15 jaar later omgedraaid: rond een kwart wordt nog in Turkije geboren, 60% in Duitsland.

Deze aanzienlijke verandering wordt echter doordat een groot deel van de vroege opvoeding in Turkije plaats heeft, vergaand gerelativeerd. Rond 60% van de meisjes, dus meer dan de helft, groeit in hun kindertijd gescheiden van de ouders op, bij grootouders of familie in Turkije. (Dit geldt overigens ook voor de meisjes uit ex-Joegoslavië, voor zover het geen vluchtelingen zijn.)

Deze meisjes maken steeds weer opnieuw een eigen migratieproces door, komen van het land naar de stad, van Turkije naar Duitsland, van de grootouders naar een voor hen meestal vreemde familie. Dikwijls vertellen ze, dat ze hadden gedacht dat hun grootouders hun ouders waren. Dit des te meer, wanneer niemand met hen over de reden van de scheiding of hun verplaatsing gesproken heeft. Ze ervaren de scheiding als een krenking, als niet gewenst te zijn. De dwang van de omstandigheden,  waaronder hun vaak ook werkende moeder stond, kunnen zij niet navoelen. De ouders daarentegen verwachten dankbaarheid, omdat ze hun dochter naar zich  naar zich toe gehaald hebben. Voor hen is de binding op grond van bloedverwantschap zo vanzelfsprekend, dat niet steeds opnieuw in contact bevestigd en onderhouden hoeft te worden.  De meisjes worden deels bij het beginnen van de school, deels ook veel later teruggehaald.

Het steekwoord  “Tweede Generatie” vat de situatie maar half. Maar heel weifelend tekent zich hier verandering af. In 1994 waren voor het eerst meer meisjes niet puntjes gescheiden bij de ouders opgegroeid, als dan wel van het gezin opgroeiden. Komen eerdere scheidingen van het gezin bovenop een latere scheiding en uit elkaar gaan van de ouders, dan vallen de meisjes vaak helemaal uit het  gezinsverband. Uit het zicht van de ouders zijn ze dan alleen nog een last, die als ze moeilijk te controleren zijn en hun huishoudelijk werk niet tot tevredenheid van de ouders vervullen, wel  tussen de verschillende familieleden  heen en weer worden geschoven zodat er aan een snel huwelijk gedacht gaat worden. Voor haar is er dan letterlijk geen plaats.

 

Werkeloosheid van de ouders

De materiele situatie van de ouders is zelden rooskleurig. Tegen onze verwachtingen in is de werkeloosheid de afgelopen jaren niet wezenlijk gestegen.

Ze is bij de families die wij treffen veeleer gelijkblijvend hoog en ligt bij de 25-30% , waarbij

een veelvoud van de vaders in vergelijking met de moeders werkeloos is . Daar waar de vaders werkeloos geworden zijn, zijn de moeders meestal tot dubbel belastte eenverdieners geworden, voor een groot deel  in blijkbaar crisisvaste, maar slecht betaalde schoonmaakbanen met ongunstige arbeidstijden..

Telt men bij de door werkeloosheid getroffen families diegenen erbij, die van pensioen, vroeg-pensioen (VUT) of van de bijstand leven, dan zien we in de afgelopen 15 jaar een stijging van 23% in 1986 tot 50 % in 1999. Hier zien we duidelijk een verslechtering van de werkgelegenheidssituatie, vooral bijstandsuitkeringen nemen toe.

 

Gang van zaken in de hulpverlening

Het geheime adres van Papatya is een voorwaarde waar  voor een werkbare ondersteuning niet aan valt af te dingen.

Alleen dan hebben de meisjes de mogelijkheid in rust en zonder continue druk van de familie na te denken over hun eigen situatie. In vele gesprekken wordt geprobeert, om het moeilijke proces, de eigen positie te bepalen en een nieuw levensperspectief te ontwikkelen, te ondersteunen. De meeste meisjes hebben tot dan toe nauwelijks iets zelf mogen beslissen. Nu moeten ze echt leren hun wensen te formuleren en hier voor op te komen.. De in de eerste dagen vaak met verve uitgedragen wens “ik wil mijn ouders nooit meer zien” verandert vaak snel en moet geverifieerd worden – het maakt dan plaats voor de vraag die hieruit  volgt, in welke richting moet het dan wel verder gaan? Bijna voor alle meisjes is de vlucht van huis niet in eerste instantie een bevrijding, maar een noodoplossing, nadat alle pogingen om de eigen situatie door aanpassing of rebellie te veranderen, mislukt zijn. Het doorgronden van deze ambivalentie bij de scheiding, neemt behoorlijk veel plaats in beslag.

Wij doen ons best  om  de confrontatie met de familie, zowel in de beleving van het meisje als in de realiteit, te begeleiden en te structureren.

Na een nieuwe opname wordt zo snel  mogelijk  het verantwoordelijke “Jugentamt” ingelicht en neemt  het de informatie aan, en de geruststelling van de ouders over. Ook de medewerkers van het “Jugendamt” kennen het adres van PAPATYA niet. ’sNachts en in het  weekend worden de ouders direct door ons geïnformeerd. De eerste dagen zijn er in het “Jugendamt” gescheiden gesprekken met het meisje en de ouders. Bij al deze afspraken wordt het  meisje door ons begeleidt. Meestal kan hierna worden ingeschat hoeveel gevaar het meisje loopt en of er speelruimte is om tot een vergelijk te komen. In de meeste gevallen kan een onderling gesprek tussen ouders en meisje plaatsvinden. Deze gesprekken worden zoveel mogelijk door een Turks/Koerdische en een Duitse medewerkster begeleid en met het meisje uitvoerig voorbereid. Wij zien ons daarin als belangenbehartigster van het meisje.

 

Ouderwerk tussen ambivalentie en partijdigheid

Met onze manier van ouderarbeid raken we gemakkelijk tussen twee vuren. Aan de ene kant wordt met scepsis bekeken, dat we überhaupt met de ouders spreken en proberen we bij het meisje de angst voor een gesprek weg te nemen.. Van de andere kant wordt ons verweten, dat we alleen maar de kant van het meisje zien en vertegenwoordigen.

Voor ons was het een lange weg, waarbij we in het begin de illusie hadden, met meisje en ouders samen een rechtvaardige oplossing te kunnen vinden. De speelruimte hiervoor was kleiner dan we hadden gedacht. Vooral rondom twee thema’s mislukt steeds weer opnieuw elke eerlijke  poging om tot een vergelijk met de ouders te komen:

 wanneer de dochter, zonder te trouwen, het huis wil verlaten.

 als de dochter een vriend heeft.

Meisjes, die, ongetrouwd, niet meer bij hun familie wonen, gelden nog altijd als eerloos, als een hoer, wat het sociale aanzien van alle familieleden doet dalen.

Hierbij is het van belang te bedenken, dat het niet om het daadwerkelijke gedrag van het meisje gaat,  dus zoiets als: heeft zij een vriend en heeft zij met hem geslapen? maar om de indruk naar buiten toe, dus: heeft zij op de hoek van de straat met een jongen gesproken, zich dus in een situatie begeven, waarin eerloos gedrag mogelijk zou zijn. Het gaat nonchalant gezegd om schijn, niet om zijn.

Voor ons is het maar moeilijk te accepteren, dat ook leeftijdsgenoten dit eerbegrip  verdedigen, dat meisjes ook door broers en zussen en schoolvrienden worden uitgescholden, als ze zijn weggelopen.

In de strijd tegen het dreigende eerverlies zet de familie al haar krachten in, ze probeert de dochter met beloftes te lokken, haar emotioneel te chanteren (oma gaat dood, het kleine broertje blijft maar huilen) of proberen in het ergste geval haar te ontvoeren.

Voorechtelijke betrekkingen zijn taboe, de meisjes kunnen dus hun vriend – en de meeste hebben een vriend – alleen maar voor hun ouders verbergen.

Herhaaldelijk ligt hier de grens voor een open gesprek en een blijvende conflictstof voor duivelskringen van verbod en straf van de kant van de ouders en overtreding van verboden en leugens van de kant van de meisjes, die wij maar zelden onklaar kunnen maken.

Het meisje komt niet zelden in een uitzichtloze situatie terecht, als ook het vriendje van haar verlangt dat ze naar haar familie terugkeert: een behoorlijk meisje hoort immers in de familie thuis en  hij is alleen bereidt met een behoorlijk meisje bevriend te zijn, anders zal hij de relatie moeten beëindigen.

Over de ontbinding van afgedwongen verlovingen en huwelijk, over het wonen bij familieleden, over uitgaanstijden, hulp in de huishouding, zakgeld, kledingsvoorschriften en schoolbezoek valt met de ouders te onderhandelen – over de twee genante punten gebruikelijk niet.

Toch pleiten wij in veel gevallen voor gesprekken met de ouders.

We doen dit, omdat de vlucht van de meisjes dikwijls niet alleen maar naar voren gericht is, weg van de familie, maar vaak ook een laatste poging om uit te vinden, of de ouders niet toch van haar houden en aan haar gehecht zijn, of de familie zichzelf niet toch veranderen kan. De meisjes mogen niet verhinderd worden te vernemen, hoe de ouders op hun vlucht reageren. In veel families heerst er een grote stilte en wordt er alleen dan met de dochters gecommuniceerd, wanneer er langs  hiërarchische eenrichtingswegen opdrachten worden gegeven. De ouders verzorgen hun kinderen  materieel, zonder op het idee te komen, zich voor hun ideeën en gevoelens te interesseren.

Vaak is een oudergesprek dan de eerste gelegenheid, waarin de meisjes haar ideeën kunnen formuleren en de ouders dus moeten toehoren. Dikwijls nemen de oudergesprekken dan het karakter van een onderhandeling aan, met aan het eind een overeenkomst, waarin bijvoorbeeld uitgangstijden precies worden geregeld.

Hier moet aan worden toegevoegd, dat er ook meisjes zijn, die zoveel gevaar lopen, dat wij het risico van een oudergesprek niet aangaan. 

 

Wat komt er van de meisjes terecht?

Rond eenderde van de meisjes (35%) keert naar de oude situatie terug, men kan niet zeggen “naar de ouders”, omdat velen in stief-families en dergelijke wonen.

Rond 10% vindt een nieuw perspectief onder de vleugels van de familie, verhuizen naar een oudere zuster of  naar oom en tante, bij gescheiden ouders naar de andere ouder, met de moeder van vader weg etc.

Meisjes, die besluiten, niet terug te keren, moeten als ze minderjarig zijn, bij de rechter in voogdijzaken een verzoek indienen, zodat haar ouders  uit de ouderlijke zorgplicht gezet kunnen worden.  In de regel wordt dit verzoek door het gerecht toegewezen.

In 1986/1987 was het aandeel van vrijwillige instemming door de ouders voor plaatsing door de “Jugendhilfe” gelijk aan nul, in de volgende jaren is het geleidelijk tot gemiddeld 10% gestegen.

Ongeveer 40% van de meisjes worden  door de Jugendhilfe in Berlijn of in andere Bundeslanden ondergebracht. Ca 8%  gaan zwerven. De rest gaat naar andere crisisinrichtingen, naar een kliniek, naar een eigen woning of maakt van de vriend een echtgenoot..

Met diegenen die naar de familie terugkeren, breekt het contact meestal snel af. Een nazorgproject, dat we op ABM-basis met een Turkse en een Duitse psychologe wilden opzetten is mislukt, omdat  noch de ouders noch de meisjes er belang bij hadden aan de beladen tijd van het weglopen herinnert te worden, en ook duidelijk formuleerden “alles te willen vergeten en niet weer van voren af aan te willen beginnen”.

Het aandeel van hernieuwde opnames ligt tussen de 10 en 15% per jaar, hierbij gaat het bijna uitsluitend om meisjes, die hun familie “nog een kans wilden geven” en die veel twijfel ten spijt toch  teruggekeerd zijn. Meisjes die voor de tweede keer vertrekken, verlaten de familie meestal voorgoed.

Met diegenen, die naar de “Jugendhilfe” gaan, behouden we vaak nog lang contact. Vroeger hebben we de meisjes, als ze gevaar liepen, vaak buiten Berlijn ondergebracht, ondermeer juist daar, omdat er daar de kleinste tehuizen en pleegfamilies ter beschikking stonden.

In de eerste vier jaar lag het aandeel van deze plaatsingen bij de 40%. Een groot deel hiervan is mislukt: de meisjes keerden weer erg snel naar de familie terug, omdat ze zich in de vaak landelijke omgeving geïsoleerd, vervreemd en eenzaam voelden. Op dit moment is het aandeel van plaatsingen buiten Berlijn nog maar 20%.

Wij checken de wensen van de meisjes naar een grotere geografische afstand  met wat meer scepsis en letten er goed op, dat ze in een omgeving terecht komen, waarin ze niet de enige allochtoon zijn.

In Berlijn hebben we meer zelfstandige meisjes, die al over wat meer mogelijkheden en zelfvertrouwen beschikken, en die op z’n minst in beginsel een eigen vriendenkring hebben; met jongerenwoongroepen hebben we goede ervaringen. Daarbij is het voor de meisjes van groot belang, dat ze ook voor woongroep met echt alleen meisjes kunnen kiezen.

Tot voor enige tijd geleden bestonden er in Berlijn drie woongroepen met een geheim adres en speciaal gericht op Turkse meisjes. Het geheime adres en de daarmee verbonden onmogelijkheid bezoek te ontvangen, schrok in toenemende mate ook meisjes die gevaar liepen af, daar te willen wonen. De geheimhouding werd opgegeven, het interculturele concept echter bleef, zodat een belangrijke diversiteit in het aanbod van jeugdhulp behouden bleef. De voor de jeugdhulpverlening geldende verdeelsleutel van twee hulpverleensters met driekwart aanstelling elk op 5 jongeren, is beslist niet voldoende voor de groep jongere meisjes. Met een paar instellingen is het tot een goede samenwerking gekomen, maar alles bij elkaar blijven instellingsplaatsingen een probleem – niet in de laatste plaats omdat zowel meisjes als ouders aan het begrip instelling vooral nogal angstige beelden van bandeloosheid verbinden, wat we maar moeilijk bestrijden kunnen.

PAPATYA heeft voor de doelgroep jongere of nog erg onzelfstandige meisjes een concept van opvoedingsplaatsen ontwikkeld.

Een probleemgroep bij het verder bemiddelen zijn ook de jong volwassenen, omdat steeds vaker financiering  op basis van de “Jugendhilfe” door de ambtenaren van het “Jugendamt” wordt afgewezen. De problemen en tekortkomingen van de jong volwassene lijken enerzijds erg op die van de minderjarigen, terwijl aan de andere kant de vluchthuizen van volwassen vrouwen door hen overbelast worden en opname afwijzen.

 

zurück

nach oben